13 mei 2005

NATIONALE POLITIE ALS MIDDEL TEGEN BUREAUCRATIE

Eric Nordholt:

"Beleidsmakers staan ver van de dienders op straat..."

Bron: Algemeen Politieblad 14 mei 2005

door Fred Kruijer

Hij woont nog altijd aan de Amsterdamse Keizersgracht en is nog net zo welbespraakt als in de dagen dat hij het korps Amsterdam-Amstelland reorganiseerde. De man die de 'rekkelijken' ooit dwong de opsporing binnen wettelijke kaders terug te brengen is voorstander van een nationale politie onder een ministerie van Veiligheid.

Hij ziet geen rol voor de burgemeester als korpsbeheerder. Ook de vele beleidsmakers in politieland staan volgens Eric Nordholt buiten de werkelijkheid.

Nordholt (66) mag zich dan voorstander noemen van nationale politie, toch ergert hij zich aan de manier waarop de politie­ministers de politie nu via de beleids- en beheerscyclus aansturen: "De politieministers hebben met hun prestatiecontracten een nieuwe bureaucratie binnen de korpsen geschapen. Terwijl iedereen juist bezeten zou moeten zijn van de vraag hoe je het veilig krijgt in de stad. In werkelijkheid loopt er een groeiende groep beleids- en plannenmakers rond die in theoretische modellen denken maar steeds verder weg komen te staan van diegenen die het daadwerkelijk op straat moeten uitvoeren. Steeds meer mensen verdienen hun brood met het opstellen van de rapportages bij al die beleidsplannen."

"Prestatiecontracten bestaan,

omdat de minister niet over zijn eigen politie gaat..."

"Prestatiecontracten zijn ontstaan doordat de minister eenvoudig niet over zijn eigen politie gaat en toch wil laten zien dat hij er wel over gaat. Als de minister meer in staat wordt gesteld het beleid van de politie te bepalen, dan kun je afscheid nemen van dit soort onzin. En dat moet ook. Prestatiecontracten gaan over productie en niet over resultaat. Zeker niet in termen van veiligheid. Het is de vraag of je het met 180.000 extra bekeuringen veiliger maakt. Sterker nog, de nadruk op productie kan er toe leiden dat het onveiliger wordt. De prioriteiten kunnen verkeerd komen te liggen. Dat geldt ook voor de 40.000 extra aanhoudingen. Die cijfers zijn een slag in de lucht als ze niet worden gerelateerd aan een bewijsbare daling van de criminaliteit.

Ik heb bezwaar tegen productiecijfers. Maar de ministers kunnen in de huidige situatie niet anders. Op hun eigen ministeries doen ze het ook zonder dit soort flauwe kul en stellen ze gewoon het gewenste beleid vast. Bij de korpsen lukt dat in de huidige configuratie niet. Als je nu naar de opbouw van de politiekorpsen kijkt en je ziet hoeveel mensen zich momenteel direct of indirect beleidsmatig met die idiote prestatiecontracten bezighouden en de bijbehorende rapportagead­ministratie, dan kun je vaststellen dat er in werkelijkheid een monster is gecreëerd. Er gaat wat energie en geld in al die planning zitten. Het trekt een enorme overhead aan. Een kind met een waterhoofd."

"De korpsbeheerders willen hun speeltje niet kwijt."

"Ook als je naar internationale ontwikkelingen kijkt dan valt naar mijn mening aan een nationale politie niet te ontkomen. Een nationale politie als gedeconcentreerde rijksdienst, direct vallend onder een ministerie van Veiligheid. Aan het hoofd van dat nieuwe concern Nationale Politie een hoofdcommissaris - beslist geen ambtelijke Directeur-generaal - en daaronder hooguit vijftien regionale korpsen met een korpschef die rechtstreeks onder die landelijke korpschef valt. Ik hoor iedereen al roepen dat we daarmee veel te sterk centraliseren maar dat ontgaat me volledig. Waarom zou een goede politieminister niet naar een goed decentraal georganiseerd concern kunnen streven? Het verzet tegen nationale politie, met name vanuit de korpsbeheerders, heeft te maken met persoonlijke ambitie. Het is een strijd om de macht geworden.

De korpsbeheerders willen hun speeltje niet kwijt. Op het moment dat de grote burgemeesters de functie van korps­beheerder verliezen gaan ze alleen nog maar over de brandweer. Grappig is dat in werkelijkheid de hoofdcommissaris nu ook al het politiekorps bestuurt en voor een groot deel beheert. De burgemeester-korpsbeheerder bemoeit zich wel met de bureaucratie maar is in de praktijk al nauwelijks de baas over het korps. Door de beheerstaken die de burgemeester nog overhoudt blijft er nog minder tijd over om daadwerkelijk het gezag over het korps te voeren. In de oude situatie van de rijkspolitie, waar van beheer volstrekt geen sprake was, werden de groeps­commandanten wel degelijk door de burgemeesters aangestuurd als het ging om openbare orde. Op het moment dat de burgemeesters het beheer verliezen, kunnen ze zich effectiever met het gezag bemoeien, daar waar het gaat om openbare orde."

Nordholt meent dat een korpschef heel goed de functie van uitvoerend korpsbeheerder kan vervullen namens de minister van Veiligheid.

"In werkelijkheid doet hij dat nu ook al. Als je de burgemeester ertussen uit weet te filteren maak je het alleen maar makkelijker. In Engeland werkt dat ook uitstekend. Waarom zou een minister van veiligheid landelijk geen beleid kunnen of mogen uitzetten? Een goed functionerende minister, die nadenkt over de veiligheid van dit land, weet dat er voldoende ruimte moet blijven voor de werkelijkheid van de regio. Kan zich, bij het vaststellen van dat beleid, gemakkelijk vanuit de regio laten adviseren, zonder daarbij in spelletjes van regionale politiek te verzanden. Met de gekozen burgemeester gaat dat zeker een rol spelen."

Nordholts nationale politie is gekoppeld aan een departement voor Veiligheid.

"Binnenlandse Zaken is daarvoor het meest geëigend. Justitie ligt mijns inziens minder voor de hand. Het is nog steeds een inquisitoir departement en ik blijf erbij dat de veiligheid in het land slechts marginaal wordt gediend door het strafrecht. Ook met aangescherpte wetgeving en grotere opsporingsbevoegdheden is het de vraag in hoeverre strafrecht een bijdrage levert. De minister lijkt nu alleen terreur te kunnen bestrijden via de AIVD. Dat moet van onder af door de politie gebeuren, gecoördineerd door de AIVD. Het zal ook de verhouding tussen de regionale politie-inlichtingendiensten en de AIVD aanzienlijk minder stroef maken. Je redt het bij terreurbestrijding niet met spionnen en afluisteren alleen.

De bron van alle ellende ligt op straat, in de volksbuurten." "In Amsterdam zou een verdubbeling van het aantal buurtregisseurs nodig zijn om AIVD en justitie van voldoende en juiste informatie te voorzien. Het hoofdaccent hoort, naast een sterke recherche, te liggen bij die buurtregisseur. Goed en terzake opgeleide politiemensen die niet alleen informatie in de buurt verzamelen maar vanuit hun kennis en deskundigheid ook daadwerkelijk sturen op processen in de buurt. Wijkagenten in andere korpsen moeten naar het niveau van buurtregisseur worden getild. Dat is geen chauvinisme maar de opleiding die hier voor dat vak moet worden gevolgd duurt een jaar en blijkt gewoon nodig om professioneel te werken in een buurt. Die buurtregisseur moet een primaire sleutel worden in de informatievoorziening. Ik ben er van overtuigd dat de buurtregisseur in Amsterdam West Mohammed B. heeft gekend."

"Concern Nederlandse politie ? Ammehoela..."

Met landelijk beleid kunnen volgens de Amsterdamse oud­hoofdcommissaris veel zaken geregeld worden die nu nog steeds niet goed geregeld zijn. "Je kunt denken aan centrale inkoop van kennis en materiaal, maar ook aan de automatisering en de informatiehuishouding. De korpsbeheerders wijzen er in hun brief aan de Tweede Kamer op dat er op deze gebieden vanuit de regio's al zo veel bereikt is en dat er zoveel samenwerking tot stand is gekomen. Natuurlijk gebeurt er veel, nu iedereen voelt in welke hoek de wind zit, maar je moet toch vaststellen dat het allemaal wel verdomd lang geduurd heeft en dat het, zeker op het gebied van automatisering en standaardisering van de informatiehuishouding, bij lange na nog niet zo werkt als het zou moeten.

De korpsbeheerders melden dat de regiokorpsen zich steeds meer bewegen in de richting van concern Nederlandse politie.

Ammehoela, ga maar eens kijken hoe het in echte concerns is georganiseerd. Als die georgani­seerd zouden zijn naar het model van de Nederlandse politie waren ze failliet. Er is nog steeds geen enkele vorm van daadwerkelijke concernleiding die dat bedrijf ook aanstuurt. Hoe je het ook wendt of keert, een concern heeft een baas. Die de lijnen uitzet en de termijnen er voor vaststelt."

Een belangrijk argument dat wordt gehanteerd tegen een concern Nationale politie is dat er voorbij wordt gegaan aan het belang van de regio. Nordholt: "Dat is een hele vreemde miskenning van de regiokorpsen en degenen die er nu leiding aan geven. Als je het nu hebt over jongens als Bernard Weiten, waarom zouden die niet in ieder opzicht de leider van een korps kunnen zijn, rechtstreeks onder de minister? Die durven echt de regionale belangen wel aan te dragen. Ik begrijp ook wel dat men beren op de weg ziet.

Als ik zie hoe de politieministers op dit moment met de materie omgaan, denkend aan die malle prestatiecontracten, dan is er - toegegeven - reden tot zorg. Toch denk ik niet dat de minister te ver van de organisatie staat om haar te kunnen besturen. Het is niet alleen afhankelijk van de minister, en zijn of haar vakbekwaamheid, maar ook van de korpschef van dat nieuwe concern. Van al diegenen die nu zo tegen een minister van Veiligheid en nationaal beheer van de politie te hoop lopen, kiezen de meesten voor hun huidige machtspositie."

"Door dit zo te organiseren doe je ook recht aan de Nederlandse politie. Directe voordelen van het uitfilteren van de burgemeester als korpsbeheerder is dat de minister van veiligheid, bijvoorbeeld bij de bestrijding van terreur, direct invloed kan uitoefenen op de wijze waarop hij de politiekorpsen wil inrichten. Dat is belangrijker dan baas zijn van de AIVD. Een goede minister, of beter, zijn nationale korpschef, kan vervolgens de bureaucratie van de korpsen (doen) saneren.

De lijnen worden korter, het beleid wordt duidelijker en er zijn minder bazen nodig. Als je de korpsen nu doorlicht en een overzicht maakt van mensen die niet met het primaire politiewerk bezig zijn, dan is dat beeld desastreus. Dat zou in een nationale organisatie met een eenduidig beleid afgelopen kunnen zijn. Zeker met een landelijke baas die een eind maakt aan het gehobby en de neuzen richt op de veiligheid op straat."

"In een aantal korpsen hebben ze nu heuse beleidsambtenaren aangesteld. Ik word al beroerd van het woord. Je hebt niets aan een beleidsplan van vijfhonderd pagina's als je geweldsdelicten aan wilt pakken. Hoe ingewikkelder je het maakt, des te moeilijker het wordt om het uitgevoerd te krijgen. Bestuurders zoeken hun zekerheid steeds meer in papier, in beleidsplannen. Dat geeft een gevoel van schijnveiligheid. In werkelijkheid doden al die beleidsplannen de individuele creativiteit en krijgt het operationele niveau steeds minder zuurstof naarmate dat keurslijf strakker wordt aangetrokken. Dat maakt uiteindelijk de korpsen minder effectief want het verziekt de sfeer. Politiemensen op straat raken niet geïnspireerd door beleidsplannen. Naar mate er meer van komen trekken ze zich er minder van aan.

Een mooi voorbeeld: De oefening Bonfire. Daar bleken de hulpverlenende instanties nog niet op elkaar ingespeeld. Dat kwam vooral omdat het een oefening was. Bij een echte ramp blijven de dienders niet wachten tot de baas opdrachten begint uit te delen, maar handelen vanuit hun eigen autoriteit. En dan lukt het wel. Dat gebeurde met de vliegramp in de Bijlmer ook. Daar ging iedereen in eerste instantie vanuit eigen inzicht en deskundigheid aan de slag. Ook de samenwerking tussen de verschillende diensten liep goed. Uiteindelijk zijn de commandanten datgene gaan coördineren wat feitelijk al tot stand was gekomen. Dit in tegenstelling met Bonfire, een prachtig toneelstuk waar iedereen elkaar stond tegen te houden in afwachting van orders die niet kwamen.

De Nederlandse politie kent van huis uit een hoge kwaliteit. We hebben daar de afgelopen periode een enorme beleidsmatige organisatie boven zien ontstaan. Beleid, beleid, beleid. Ik denk niet dat ik ouderwets ben als ik zeg dat er een tweedeling is ontstaan tussen beleidsmakers en mensen die het werk verrichten. Die tweedeling is niet goed. Het beleid wordt te abstract om de mensen aan te spreken die het moeten uitvoeren. Eenvoud is en blijft de essentie. En nationale politie kan daar, mits goed georganiseerd, aan bijdragen.